Hannes Minnaar
Sebastiaan van Halsema
Elias Arizcuren
Rudolf Palm
De Nederlandse Opera
Storioni Trio
Marc Vossen
Wouter Vossen
Bart van de Roer
Opera Zuid
Nationale Reisopera
Maartje de Lint
Paolo Giacometti
Sophia van Sante
Roberta Alexander
Metropole Orkest
Alphons Diepenbrock
Hendrik Andriessen
Laurens van Rooyen
Alexander Voormolen
Berdien Stenberg
Guus Janssen
Elias Arizcuren
Reinbert de Leeuw
Willem Pijper
Ronald Brautigam (2)
Thijs van Leer
Anna Cramer
David Kweksilber
Frans Brüggen
Mede dankzij de notatie nam de verspreiding van kerkelijke gezangen een grote vlucht. Overal in de Lage Landen werden liturgische spelen opgevoerd. Van Maastricht tot Zutphen beeldde men bijbelse verhalen uit met gezang en toneelspel. Ook buiten de kerk werd dankbaar gebruik gemaakt van het feit dat genoteerde melodieën wijdverspreid waren. Bij de mystieke minnepoëzie van de Brabantse begijn Hadewijch zijn geen muzieknotaties overgeleverd, maar door strofes te vergelijken wordt duidelijk dat zij goed bekend was met de melodieën van Franse minnezangers. De belangrijkste ontwikkeling in de Middeleeuwen was echter de polyfonie, meerstemmigheid. De Franse componist Guillaume de Machaut (ca. 1300-1377) speelde een belangrijke rol bij de ontwikkeling van de ritmiek en de verfijnde notatie daarvan. Fragmenten van zijn muziek zijn ook in de noordelijke Nederlanden aangetroffen. Niet iedereen was even gecharmeerd van deze nieuwe stijl of 'Ars Nova'. Jacobus van Luik leverde stevige kritiek in zijn geschrift 'Speculum musicae'. Johannes Boen uit Rijnsburg schreef rond 1350 in zijn traktaten juist positief over de nieuwe muziek. Hoewel de ontwikkelingen in de Nederlanden dus op de voet werden gevolgd, is er weinig Nederlandse polyfone muziek bewaard gebleven. De weinige fragmenten die de tand des tijds hebben doorstaan vormen een voorbode van de grote bloei van de Vlaamse polyfonie in later eeuwen.
De Bourgondische hertog Filips de Stoute en zijn nazaten regeerden in de vijftiende en zestiende eeuw over de Lage Landen. Onder dit bewind brak een periode van welvaart aan en de kunsten bloeiden. In de Renaissance (letterlijk wedergeboorte, een verwijzing naar de herontdekking van de kennis uit de Griekse oudheid) werd muziek steeds meer autonoom. In navolging van de oude Griekse ideeën deed emotie zijn intrede in de muziek en werd muziek meer gezien als sleutel tot persoonlijke ontwikkeling. In deze periode verwierven de Franco-Vlaamse scholen van meerstemmige componisten grote roem, gesteund door adellijke hoven. Antwerpen werd in de zestiende eeuw een belangrijk centrum van muziekuitgeverijen (met o.a. Tielman Susato, Petrus Phalesius en Christoffel Plantijn). De mogelijkheid om composities te drukken vergrootte de naamsbekendheid van componisten als Johannes Ockeghem ( ca. 1420-1497), Jacob Obrecht (ca.1458-1505), Heinrich Isaac (ca. 1450-1517), Josquin des Prez (ca. 1450-1521) en Orlandus Lassus (ca. 1532-1594). Geboren en getogen in de Lage Landen reisden zij veelvuldig door heel Europa en componeerden zowel kerkelijke als wereldlijke vocale muziek. De relatief ruime beschikbaarheid van bladmuziek betekende voor het eerst dat ook welgestelde burgers toegang hadden tot meerstemmige muziek – aan tafel ging het liedboek rond. De befaamde Amsterdamse stadsorganist Jan Pieterszoon Sweelinck (1562-1621) bespeelde het orgel van de Oude Kerk en vooral uit Duitsland kwamen leerlingen naar Amsterdam. De klavierwerken van Sweelinck werden door deze jonge organisten verspreid door heel Europa. Sweelincks vocale werken verschenen al tijdens zijn leven in druk.
De zeventiende eeuw wordt gekenmerkt door nieuwe inzichten en ontdekkingen op allerlei gebied: Kepler ontdekte dat de planeten om de zon draaien, Newton ontdekte de wetten van de zwaartekracht. Ook musici bleven niet achter en vernieuwden zich voortdurend. De eerste orkesten werden samengesteld in Parijs en Rome, de opera ontstond in deze periode en in Engeland bedacht een ondernemer het openbare concert. De nadruk kwam te liggen op drama en de muziek doorbrak oude wetten om uitdrukking te geven aan woorden in de liedtekst. De toch al sterke expressie en dramatiek van de Franco-Vlaamse componisten werd door de barokcomponisten nog overtroffen. Muziek roept in deze periode verschillende gemoedstoestanden op, ook wel affecties genoemd. Vaak wisselen verschillende affecten elkaar af binnen één compositie, waardoor grote contrasten ontstaan. Het oproepen van verschillende affecties met behulp van muziek was bevorderlijk voor de gezondheid, zo dacht men. Maar altijd was de muziek in evenwicht: barokcomposities hebben veelal een symmetrische opbouw , net als de architectuur van die periode. Het accent verschoof van polyfonie naar homofonie, waarbij de stemmen niet langer gelijkwaardig waren, maar tussen sopraan en baslijn harmonische akkoorden ingevuld werden. Naast de vocale muziek ontwikkelde ook de instrumentale muziek zich. Grote namen uit deze periode zijn Claudio Monteverdi (1567-1643), Jean-Baptiste Lully (1632-1687), Henry Purcell (1659-1695), Antonio Vivaldi (1678-1741), Georg Friedrich Händel (1685-1759) en natuurlijk Johann Sebastian Bach (1685-1750). In Nederland maakte de Vrede van Munster (1648) een einde aan de Tachtigjarige Oorlog. De nieuwe republiek belandde in de Gouden Eeuw. Samen met de Utrechtse componist en beiaardier Jacob van Eyck (ca. 1590-1657) verbeterden de gebroeders Hemony hun techniek om klokken te gieten zodat beiaarden voor het eerst zuiver gestemd konden worden. De Nederlandse liedkunst drong door tot alle lagen van de bevolking, met liedboeken in elke stad. Bekende Nederlandse componisten uit deze periode zijn Constantijn Huijgens (1596-1687), Unico Wilhelm van Wassenaer (1692-1766) en Willem de Fesch (1687-1761).
De term klassiek verwijst naar het classicisme in de Romeinse en Griekse tijd. Kenmerkend voor deze periode zijn eenvoud – vrij van overdadige versieringen, evenwicht, perfectie in vorm en structuur, variatie en samenhang. De belangrijkste vertegenwoordigers van deze stijl zijn Joseph Haydn (1732-1809), Wolfgang Amadeus Mozart (1756-1791)en Ludwig van Beethoven (1770-1827). Zij vonden evenwicht in zowel de vorm (met een heldere, vaak symmetrische opbouw, zoals menuet-trio-menuet) als de expressie (met een balans tussen gevoel en verstand). De belangrijkste muzikale vormen en genres die in de laat-klassieke periode verder uitgewerkt werden zijn de symfonie, de sonate(vorm) en het strijkkwartet. In deze periode werd ook de melodie een belangrijk middel om het publiek aan te spreken.
De Verlichting legde de nadruk op de rechten van het individu en zorgde voor toenemende sociale gelijkheid. De stedelijke middenklasse groeide als gevolg van industrialisatie. Veel musici verdienden geld met openbare concerten, maar ook met lesgeven aan amateurs, die op hun beurt dan weer de concerten bezochten. De heersende klasse zag naast het stimuleren van kunst ook het opvoeden van de armsten als taak. Johan Hendrik Swildens (1745-1809) probeerde via 'beschaafde burgerliedjes' het zingende volk op straat te verlichten en was daarmee de voorloper van Jan Pieter Heije (1809-1876) die zich een eeuw later onsterfelijk zou maken met succesnummers als 'De Zilvervloot' en 'Een karretje dat op de zandweg reed'.
Onderlinge huwelijken van de Europese adel gaf de (muziek)cultuur een meer internationaal karakter. Aan het hof van Frederik de Grote in Pruisen sprak men Frans, een Duitse prinses werd tsarina Catharina de Grote van Rusland. Vanaf 1747 werd de Republiek der Nederlanden weer bestuurd door stadhouders van Oranje. De echtgenote van Willem IV, Anna van Hannover, was in de leer geweest bij Händel en de componist verbleef enige tijd in haar gezelschap in Paleis het Loo. Ook de tienjarige Mozart bezocht het Haagse hof en complimenteerde Prinses Caroline, dochter van Willem IV en Anna, met haar muzikale prestaties. Ter gelegenheid van de inhuldiging van Prins Willem V als nieuwe stadhouder componeerde hij 'Galimathias Musicum', een potpourri waarin ook het thema van het Nederlandse volksliedje 'Wilhelmus van Nassaue' voorkomt. Nederlandse componisten uit deze periode zijn Christian Ernst Graf (1723-1804), Johann August Just (1750-1791), Johan Andreas Kauchlitz Colizzi (ca. 1742-1808), Joseph Schmitt (1734-1791) en Carolus Antonius Fodor (1768-1846).
Als gevolg van de toenemende industrialisatie ontstond een zeer welvarende middenklasse in de steden. Gedrukte bladmuziek en betaalbare instrumenten creëerden een groeimarkt voor het lied en pianowerken. Iedere koopman met aanzien liet zijn dochters muziekles nemen. Virtuozen als pianist en componist Franz Liszt (1811-1886) betoverden hun publiek terwijl ze toerden door Europa. Franz Schubert (1797-1828) en Robert Schumann (1810-1856) verworven grote faam als liedcomponist. De Romantiek vierde hoogtij: zowel in de muziek als in de literatuur werd terug gegrepen op een ideale fantasiewereld met een belangrijke rol voor de natuur, ver van de dagelijkse realiteit. Als reactie op het 18e-eeuwse rationalisme werd het gevoelsleven en de vrijheid van het individu steeds belangrijker. In menig lied dwaalt een eenzame, getormenteerde ziel door een overweldigend landschap. Ook in instrumentale muziek worden natuurverschijnselen en emoties verklankt. Hector Berlioz (1803-1869) maakte in programma's bij zijn muziek zijn bedoelingen zelfs expliciet. Ook in Nederland roerde de burgerij zich op muzikaal gebied. Koning Willem I richtte Koninklijke Muziekscholen op in Amsterdam, Den Haag, Brussel en Luik, maar ook de Maatschappij tot Bevordering der Toonkunst – opgericht in 1829 – startte overal in het land muziekscholen, muziekfeesten werden jaarlijks georganiseerd en de zogenaamde burger-zangscholen floreerden. Mannenkoren sprongen als paddenstoelen uit de grond en in de tweede helft van de negentiende eeuw ontstonden de eerste amateur symfonieorkesten. Nederlandse componisten als Johannes Bernardus van Bree (1801-1857), Johannes Verhulst (1816-1891), Bernard Zweers (1854-1924) en Julius Röntgen (1855-1932) waren vooral georiënteerd op de Duitse Romantiek. Veel van de leden van professionele orkesten in opkomst hadden voornamelijk in Leipzig hun opleiding genoten. Met goedkope 'volksconcerten' trachtte men de arbeiders in de steden te 'beschaven'.
Zoals de romantiek steunt op de expressie van emoties, zo staat het impressionisme voor de weergave van visuele en andere indrukken. De term wordt eerst alleen voor Franse schilderkunst gebruikt (denk aan Claude Monets schilderij 'Impression, soleil levant' uit 1872 en doeken van Pierre-Auguste Renoir, Edgar Degas en anderen), en spoedig ook voor de suggestieve, beeldende muziek van Claude Debussy (1862-1918) en Maurice Ravel (1875-1937). Beiden zoeken een alternatief voor de Duitse laatromantiek, in het bijzonder voor de muziek van Richard Wagner die een zwaar stempel op het Franse muziekleven drukt. Impressionisten oriënteren zich op de heldere schrijfwijze van Franse barokcomponisten en propageren muziek als vormgegeven klank (en dus niet als uiting van hun persoonlijkheid en zielenroerselen). Het effect van hun muziek wordt versterkt door een suggestief gebruik van stiltes en heel zachte klanken (pianissimi), van oude kerktoonsoorten en van exotische elementen zoals traditioneel-Russische harmonieën, Aziatische toonladders, Spaanse volksdansritmes en jazz-effecten. Hun invloed op latere componisten is groot - ook in de jazz, zoals blijkt uit de harmoniek van onder anderen Duke Ellington en Bill Evans. Ook Nederlandse componisten keken naar Parijs, ook omdat na de Eerste Wereldoorlog Duitse invloeden een slechte naam gekregen hadden. Sem Dresden (1881-1957) was weliswaar opgeleid in de Duitse traditie, maar voelde zich al vroeg aangetrokken tot de muziek van Franse impressionisten. Op zijn beurt leidde hij vele jonge componisten op. Velen daarvan trokken naar Parijs, zoals Leo Smit (1900-1944) en Rosy Wertheim (1888-1949). Ook Alexander Voormolen (1895-1980) liet zich inspireren in de lichtstad en nam les van Albert Roussel. Franse invloeden zijn verder te beluisteren bij Matthijs Vermeulen (1888-1967), Jan Ingenhoven (1876-1951), Henriëtte Bosmans (1895-1952) en Rudolf Escher (1912-1980).
Uit archeologische vondsten weten we dat in Nederland lang voor het begin van onze jaartelling al muziek gemaakt werd op fluitjes van schapenbot. In het Friese Holwerd werd in de achtste eeuw de bard Bernlef zeer gewaardeerd. Hij gaf zijn liederen nog mondeling door aan zijn opvolgers. De monnik Hucbald, opgeleid aan de school van St. Amand in Doornik, was een van de eersten die zich bezighield met het opschrijven van tekens (neumen) om een melodie te kunnen onthouden. De neumen geven nog niet de precieze toonhoogte weer en dienen meer als geheugensteun. De behoefte aan het vastleggen van muziek is echter groot: de heilige gregoriaanse gezangen moeten in het grote Frankische rijk van de Karolingers overal identiek klinken om politieke en religieuze eenheid te bevorderen. Het zou nog een eeuw duren voordat de Italiaanse monnik Guido van Arezzo (991-1033) een systeem bedacht waaruit onze hedendaagse muzieknotatie zou ontstaan. Vanaf dat moment was het mogelijk een gezang aan te leren zonder een leraar. Muziek kon nu onafhankelijk van de uitvoerder door de wereld reizen.
Pieter Wispelwey legt zich als enige Nederlandse cellist geheel toe op een solocarrière. Hij bouwt een internationale reputatie op als een van de belangrijkste solocellisten van zijn generatie. Wereldwijd boekt hij vele successen. Zijn repertoire strekt zich uit van Bach tot hedendaagse partituren. Hij bespeelt daarbij zowel de moderne als ...